Arie Keppler

Arie Kepler

Arie Keppler – Bron: Wikipedia

Koppig, rechtlijnig, ongeduldig, snel boos. Nee, een makkelijk mens was Arie Keppler niet. Wel een bestuurlijke geweldenaar met het hart op de goede plaats voor de gewone Amsterdammer. Samen met wethouder Wibaut trok hij na 1915 de volkshuisvesting van de grond. Tienduizenden woningen werden gebouwd, oude buurten gesaneerd.

Ambtenaar bij Bouw- en Woningtoezicht Arie Keppler was 39 jaar oud toen hij in 1915 aan het hoofd kwam te staan van de nieuwe Gemeentelijke Woning-dienst. De woningnood in Amsterdam was enorm. Vanaf dag één ging hij vol aan de slag. Eindelijk kreeg hij de kans om zijn ideaal ‒ een menswaardige woning voor elke arbeider ‒ te gaan realiseren. Hij liet zich door niets of niemand weerhouden. Zijn inzet en motivatie waren onstuitbaar, zijn werklust en energie moeilijk te evenaren. Keppler had aandacht voor elke kwetsbare groep in de samenleving en zorgde voor huisvesting voor bejaarden, alleenstaanden, mensen met de laagste inkomens en de groep die als ‘onmaatschappelijk’ bekend stond. Hij bleef op zijn post tot 1937 en drukte in die ruim twintig jaar een zware stempel op de stedelijke volkshuisvesting.

Ongezouten
Arie Keppler werd in Amsterdam geboren, in een welgesteld luthers gezin. Zijn vader overleed toen hij vier jaar oud was. Misschien heeft het gemis van vader-lijk gezag ertoe bijgedragen dat hij een eigenzinnig en moeilijk in te tomen mens werd. Hij ontstak snel in een driftbui, maar was zijn woede even snel weer vergeten. Terwijl de gekwetste partij nog zat na te mokken, placht Keppler alweer over te gaan tot de orde van de dag. Hij maakte van zijn hart geen moordkuil en zei eenieder ‒ hoog of laag in rang ‒ ongezouten hoe hij dacht.

Hij was voorbestemd voor het zakenleven, maar ging in Delft een opleiding tot civiel ingenieur volgen. Tijdens die studie maakte hij kennis met de woningnood onder de arbeidersgezinnen in de grote steden aan het eind van de 19de eeuw. Hij bekeerde zich tot het socialisme van de Sociaal-Democratische Arbeiders-partij (SDAP).

Gebouw van de voormalige brandweerFoto: Ruud Slagboom, 2015

Vogeldorp: gebouw van de voormalige brandweer
Foto: Ruud Slagboom, 2015

Terug in Amsterdam werd hij in 1905 inspecteur van de gemeentelijke dienst Bouw- en Woningtoezicht. Zijn dagelijks werk bestond vooral uit het onbe-woonbaar verklaren van krotwoningen. De bouw van gesubsidieerde woningen volgens de in 1902 van kracht geworden Woningwet werd steeds uitgesteld. Daar was particulier initiatief voor nodig, zoals woningbouwverenigingen, en dat kwam maar moeizaam tot stand. Keppler ging helpen bij de oprichting en de uitbouw ervan, zoals in het geval van Rochdale. Deze coöperatie bracht als eer-ste in Amsterdam woningwetwoningen tot stand. In 1910 begon de bouw van deze woningen in de Vogelbuurt in de Nieuwendammerham. Hij kreeg een coordinerende rol. Geïnspireerd door het Engelse tuindorpmodel lukte het hem om laagbouw neer te zetten in plaats van de gebruikelijke vier lagen.

Wibauts zwager
Toen brak de Eerste Wereldoorlog uit. Op initiatief van burgemeester Jan Willem Tellegen werd in juli 1915 de Gemeentelijke Woningdienst opgericht om de hemeltergende woningnood in de hoofdstad te bestrijden. De dienst kreeg een sleutelrol in de Amsterdamse sociale woningbouw: uitvoering van de gemeentelijke bouwplannen, beheer van de voltooide woningen en toezicht op het werk van de woningbouwverenigingen. Directeur werd Keppler. Hij en wethouder voor Volkshuisvesting Floor Wibaut vormden een hecht duo.

Met Wibaut onderhield de dynamische en deskundige Keppler een nauwe familieband: de sociaaldemocraten waren elkaars zwager. Keppler was getrouwd met Jos Berdenis van Berlekom, de jongste zus van Wibauts vrouw Mathilde, uit een Middelburgse doktersgezin. De familieband tussen de kandidaat-directeur en de wethouder zorgde voor enige opschudding in de raad toen bleek dat alleen Kep-plers naam op de benoemingsvoordracht voor de leiding van de Woningdienst prijkte. Wibaut werd nepotisme verweten. Maar burgemeester Tellegen sprong voor de zwagers in de bres. Over Keppler zei hij: “Ik aarzel niet, te verklaren dat ik niemand ken die uit hoofde van zijn bekwaamheden met meer recht op deze benoeming aanspraak kan maken dan de heer Keppler.” Zonder hoofdelijke stemming werd hij tot directeur benoemd.

Keppler was een gedreven socialist, ook in zijn functie van bestuurder. Anders dan de pragmatische Wibaut, als wethouder zijn baas, was hij een rechtlijnige doordouwer die vooral het socialisme naderbij wilde brengen en een koppige, vaak lastige ambtenaar die zich niet in ambtelijke kaders liet douwen.

Als voorvechter van socialistisch gemeentebeheer vond hij stedenbouw te be-langrijk om aan particuliere initiatief over te laten. Onder zijn leiding vervaagde het principiële verschil tussen verenigingsbouw en gemeentebouw, doordat de verenigingen volledig door de overheid werden gefinancierd. Hij werd gemeentelijk commissaris in alle Amsterdamse woningbouwverenigingen/corporaties en kon in 1925 zeggen dat in Amsterdam ongeveer 10% van de woningen in bezit en exploitatie van de gemeenschap was: rond 7000 van de gemeente en ongeveer evenveel verenigingswoningen.

Nooddorpje
De befaamde architecten Jan Ernst van der Pek, Karel de Bazel en Hendrik Ber-lage vroeg hij om plannen te maken voor woningen in Noord (Buiksloterham), West (Spaarndammerbuurt) en Oost (Transvaalbuurt). Maar daarmee waren de woningen nog niet gebouwd. Tot aan het eind van de oorlog kwam het niet tot uitvoering van deze plannen doordat de bouwmaterialen in oorlogstijd schaars en duur waren geworden en de bouwvaklonen uitzonderlijk hoog. In de jaren 1915-1917 verdubbelden de bouwkosten van een woning.

Op Kerstavond 1917 zaten de zwagers bij Wibaut thuis en besloten zij de tering naar de nering te zetten. Wibaut gaf aan Keppler de opdracht een plan te maken voor enkele honderden houten huizen. Keppler zocht en vond binnen enkele dagen een geschikt bouwterrein: een strook land langs de Grasweg, aan de westkant van Noord. Een week later stemde de gemeenteraad op 10 januari 1917 vrijwel unaniem hiermee in. Enkele maanden later was het nooddorpje klaar: er stonden 306 woningen, waarin zich 1625 personen hadden gevestigd. Zij behoorden tot de allerarmsten, van wie de inkomsten niet voldoende zouden zijn voor de permanente gemeentewoningen die nog gebouwd moesten worden. De volksmond bestempelde de noodwoningen als de ‘sinaasappelkistjes van Wibaut’. Twaalf jaar later werden zij alweer gesloopt. Tot zover de magere oogst uit de oorlogstijd.

Tuindorpen
Snel na de Eerste Wereldoorlog kwam de woningbouw in een stroomversnelling door de uitbreiding van Amsterdams grondgebied in Zuid (Stadionbuurt, Apollobuurt, Rivierenbuurt), West (Plan West, Spaarndammerbuurt), Oost (Transvaalbuurt, Watergraafsmeer) en Noord. Arie Keppler bleef de drijvende kracht achter de bouw van woningwetwoningen en raakte derhalve ook betrokken bij de uitvoering van Berlage’s Plan Zuid. Hij had een voorkeur voor architecten van de Amsterdamse School, zoals Michel de Klerk, Jan Gratama en Berend Boeyinga. Het sprak hem erg aan dat zij monumentale woongebouwen voor arbeiders ontwierpen. De huren van de nieuwe gemeentewoningen bleven laag, doordat gemeente en rijk een gedeelte bijlegden. Volgens socialistisch beginsel waren in de tuindorpen kerken en cafés taboe. Keppler en de zijnen vonden bad-huizen en recreatiemogelijkheden belangrijker.

tuindorp nieuwendam

De poortwoning op het Purmerplein in Tuindorp Nieuwendam
Fotograaf: Ruud Slagboom

Hij bleef waar mogelijk het tuindorpmodel toepassen. Dit resulteerde in Tuin-dorp Oostzaan, Tuindorp Nieuwendam, Tuindorp Buiksloot, Tuindorp Buiksloterham en Tuindorp Watergraafsmeer: allemaal zelfstandige gemeenschappen, met eigen voorzieningen (winkels, verenigingsgebouwen, scholen). Zo ging de Woningdienst van Arie Keppler zich steeds meer met de stedenbouw bemoeien.

Het Geraamteplan voor Amsterdam-Noord van de directeur Publieke Werken Andries Bos uit 1921 leidde tot een eerste conflict op dit gebied. Bos wilde van Noord een volwaardig stadsdeel maken met een brug als vaste oeververbinding; de scheepvaart door het IJ zou omgeleid worden door een noordelijker gelegen kanaal. Keppler was er tegen omdat dit de groei van Noord zou inperken. In 1924 kwam hij met een eigen uitbreidingsplan voor Noord, dat voorzag in een een tunnel in plaats van een brug, zodat het scheepvaartverkeer niet omgeleid en de uitbreiding van de woningbouw niet ingeperkt hoefde te worden.

Formeel werd geen van beide plannen uitgevoerd, maar de stadsuitbreiding in Noord ging door, want de woningnood was nijpend. Al het vervoer moest via ponten. Er ontstonden daar lange files, waardoor Amsterdam-Noord steeds meer in een isolement raakte.

Aanvaringen
Zijn temperament bracht Keppler vaak in aanvaring met het stadsbestuur. De niet-socialisten in de gemeenteraad drongen geregeld aan op zijn aftreden. Zo had hij op 11 november 1918 – de dag waarop de Eerste Wereldoorlog met een wapenstilstand eindigde en SDAP-leider Pieter Jelles Troestra zijn ‘revolutiepo-ging’ deed – onder zijn ambtenaren een brief verspreid, de zogenoemde Revolu-tiecirculaire, waarin hij een “nieuw, edeler tijdperk” aankondigde: “De Gemeenschap rekent op Uw werkkracht en toewijding. Ik wensch U allen in dat tijdvak meer levensblijheid en minder zorgen toe.” De circulaire viel totaal verkeerd bij de Anti-Revolutionaire Partij in de gemeenteraad. Burgemeester Tellegen kapit-telde hem.

Een tweede akkefietje deed zich voor in 1921, toen Keppler zich geringschat-tend uitliet over particuliere bouwers. Wibauts opvolger op Volkshuisvesting Monne de Miranda (ook SDAP) verdedigde hem: “De directeur is een lastig man, maar ook een geniaal man; zelfs ver buiten de grenzen wordt hij zeer gewaardeerd. Van iemand met zoo groote bekwaamheden verdraagt men wel eens wat.”

Keppler werkte in 1923 mee aan de tentoonstelling over ‘Massa-woningbouw’ van de vereniging Kunst aan het Volk in het Stedelijk Museum. Ook was hij lid van de commissie voor een prijsvraag over straatverlichting. Als dank benoemde Kunst aan het Volk hem tot erelid. In 1928 werd de afdeling Stadsontwikkeling in het leven geroepen en ondergebracht bij Publieke Werken met als taken onder meer de zorg voor het stadsschoon en het ontwerpen van uitbreidingsplannen. Het waren juist deze zaken waaraan Keppler veel aandacht besteedde.

Op wachtgeld
Na 1928 nam zijn invloed af en werd hij minder bij belangrijke beslissingen be-trokken. Zijn verstandhouding met De Miranda verslechterde. In 1936 besloot B&W om als eenmalige bezuinigingsmaatregel alle ambtenaren op hun 60ste te ontslaan met wachtgeld. Keppler en de andere directeuren van dienst gingen ervan uit dat deze regeling niet voor hen zou gelden, maar de raad besliste anders. Keppler voelde niets voor vervroegd pensioen en protesteerde hevig. Zijn relatie met De Miranda bekoelde tot onder het nulpunt. Toen Keppler in juli 1937 vertrok, was hij al een paar maanden ziek. Hij raakte verbitterd en overleed vier jaar later.

poort asterdorp

Het vroegere poortgebouw van Asterdorp
Foto: Ruud Slagboom

De betekenis van Keppler voor de Amsterdamse volkshuisvesting is enorm geweest. Onder zijn bewind werden oude buurten gesaneerd, 11.000 gemeentewoningen en 20.700 verenigingswoningen gebouwd. De zo geroemde ‘gordel 1920-1940′ tussen de grachtengordel en de naoorlogse stadsuitbreiding is er het tastbare bewijs van. Keppler was omstreden vanwege zijn intensieve betrokken-heid bij de heropvoeding van ‘ontoelaatbare’ (asociale) gezinnen, die in de speciaal gebouwde buurten Asterdorp en Zeeburgerdorp werden gehuisvest.

Op verschillende plekken in Amsterdam wordt nog aan Keppler herinnerd. In het gebouw van de Gemeentelijke Woningdienst hangt sinds 20 september 1955 een plaquette, in 1956 is de eerste steen gelegd van het Arie Kepplerhuis (Zomers Buiten) en bij de voltooiing van de renovatie van Betondorp bood de PvdA-afdeling Watergraafsmeer een gedenksteen aan met de tekst “Zonder zijn inzet zou Betondorp niet tot stand zijn gekomen”.

Dit artikel is al eerder verschenen in het blad Ons Amsterdam. Het artikel is geschreven door historicus Herman de Liagre Böhl.
 
 
Bronnen: Ons Amsterdam
 
lijn