Co Lassche, de grondlegger van de Vikingschaats

Co LasscheBron: Bert  Lassche

Co Lassche
Bron: Bert Lassche

Jacobus Johannes (Co) Lassche werd geboren op 15 november 1919. Voor de oorlog experimenteerde hij al met het maken van metalen schaat­sen in Nieuwendam en reeds op 18-jarige leeftijd schaatste hij op zelfgemaakte schaatsen, die hij uitprobeerde op de Schellingwouderbreek.

In 1945 verhuisde hij naar Durgerdam waar hij serieus begon met het maken van schaatsen.
Niemand kon toen nog ver­moeden dat die schaats van Co Lassche later zou uit­groeien tot de wereldberoemde ‘Vikingschaats’, waar onze jongens zoals Ard en Kee­sie en vele anderen wereldtijden op reden.

Co was de grondlegger van het merk ‚Viking’.

Zaagbladenstaal en biscuitblik
Kort na de oorlog – waarin Co Lassche het slecht had gehad en via het ‘Verzet’ in Duitse strafkampen terecht kwam, waaronder het laatste Kamp Essen, dat ook werd gebombardeerd – is het allemaal begonnen in een keldertje van een woning aan het IJsselmeer in het pracht­ige dijkdorpje Durgerdam onder de rook van Amsterdam.

Daar werden de eerste stalen ‘Noren’ met de hand gemaakt van ‘Welfare’ biscuitblikken, omdat beter materiaal hem toen nog niet voor handen was. Deze stevige blikken waren o.a. gebruikt voor voedsel-droppings tegen het einde van de tweede wereldoorlog.

Co Lassche, koperslager van beroep bij scheepswerf ’t Kromhout’ in Amsterdam-Oost, haal­de bij de firma Grie­p, een levensmiddelenbedrijf uit Nieuwendam, lege Welfare-biscuitblikken, waar­ hij huishoudelijke artikelen van fabriceerde, zoals bv. olie­kannen, waterketels en krulspelden. Met die eigenhandig ­gemaakte artikelen aan een touwtje om zijn nek ging hij de boer op om ze te verkopen. Ditzelfde blik gebruikte hij ook om zich verder te ontwikkelen in het maken van schaatsen.

Stalen noor model Champion gemaakt door Co Lassche in 1951 in DurgerdamBron: Bert Lassche

Stalen noor model Champion gemaakt door Co Lassche in 1951 in Durgerdam – Bron: Bert Lassche

Voor  glijstaal of schenkel gebruikte Co zaag­bladen, die zijn vrouw (mijn moe­der) kocht bij de firma ‘Tools’, een zaak­ in de Amster­damse War­moesstraat. De klink­nagels betrok hij van de firma ‘Otto’ aan de Nieuwendammerdijk.
Op deze eerste schaat­sen klonk hij nog gewone schoe­nen, waar­mee hij samen met mijn moe­der veel bekijks had, toen zij deze zelfgemaakte schaat­sen op de ‘Schel­lingwouder Breek’ voor het eerst gingen uitproberen.

In 1951 maakte Co Lassche een stalen noor met de modelnaam Champion. De schenkel of het glij-ijzer is van zaagbladen gemaakt. De vertanding is weggewerkt in de buis.

Gewogen en te licht bevonden
Theo van Meurs, de zwager van Co, is in die tijd met schaatsen van Co verscheidene sportzaken af geweest, waaronder Leo van der Kar, J. Neef, Itterson, Bertam in de Raadhuisstraat en niet te vergeten Sportmagazijn Eilers & Co. in de Kalverstraat, om zijn schaats aan de man te brengen.

Doch nie­mand kende hem en al snel hoorde Co van Eilers, die overigens zeer enthousiast was over zijn schaats, dat hij maar eens naar de bekende schaatsenrijder Jaap Havekotte moest gaan om van hem eerst het certificaat van deugdelijkheid in ont­vangst te nemen.

Eilers gaf hem het adres en zo klopte Co op Sinterklaasavond 1947 ‘bij wijze van surprise’ aan bij de familie J. Havekotte in Amsterdam.

Deze bekeek de schaat­sen gron­dig en kwam tot de con­clusie, dat ze van te licht materiaal waren gemaakt, maar dat de maker desondanks een eerste klas vakman moest zijn. ‘Hij kon het. Dat zag ik di­rect’, aldus Havekotte in het weekblad Spor­tief van 7 januari 1949. J. Havekotte was er weg van en wilde graag met mijn vader samenwerken.

Co maakte van goed materiaal 25 paar schaatsen zonder merk­naam – met stalen voetplaten en naadloze potten of kegels (waarvan ik de matrijzen heb teruggevonden in de kelder) – en heeft deze ter verkoop aan Havekotte aangeboden. Deze wilde ze graag kopen, als hij daarbij wel het ‘alleen­recht van verkoop’ zou verkrijgen. Dat was natuurlijk prachtig voor Co, die in de toen al bekende J. Havekotte zijn vaste afnemer had gevonden.

Als warme broodjes
In de Jaarbeurs in Utrecht werd kort daarop een tentoonstelling gehouden. Jaap Havekotte stelde Leo van der Kar voor om een gedeelte van diens stand te huren om zo die schaatsen van Co aan de man te brengen. Van der Kar hield de zaken liever in eigen hand, stelde voor om zelf de schaatsen ter verkoop aan te bieden en kon na de beurs melden dat hij maar liefst 340 paar had ver­kocht! Deze moesten nog wel even gemaakt worden en dit was voor Havekotte, die timmerman was van beroep en in bezit was van een zeilschool,  het signaal om zich volledig op de fabricage van schaatsen te storten.
Co, die nog wat schoorvoetend was, werd overge­haald om ook bij zijn werknemer ’t Kromhout’ ontslag te nemen. Hij deed dat in etappes en werd pas fulltime schaatsenmaker toen de ene order na de andere bleef binnenkomen. Zo kwam in februari 1948 het com­pagnonschap tot stand.

Tip de Bruin, de ge­schiedschrijver van Amsterdam en omgeving en ooit een klasgenoot geweest van Co Lassche, schreef later hierover in een nostalgisch kran­tenartikel: ‘Tij­dens deze proef­nemingen liep hij tegen de oud-schaat­senrijder J. Havekotte aan, die alles over schaat­sen wist, maar ze niet kon maken’.

Samen sterk
Co en Jaap zijn dus samen doorgegaan om hun product op grotere schaal te fabriceren en aan de man te brengen. Co maakte de schaatsen en ome  Jaap was er voor het zakelijke gedeelte: hij bracht het startkapitaal van f 5510,– in, waarvan f 2500,– was geleend van schaatsvriend Arie Bestebreurtje en hij leidde de verkoop van de schaatsen.

Naast het startkapitaal werden er nog vier leningen afgesloten bij particulieren, met een totaal bedrag van f 3005,–. Eén van deze tijdelijke geldschieters was J. Punt, Westlandgracht 217 te Amsterdam met een bedrag van f 2000,– Ook kreeg men nog een voorschot van f 1400,– van de allereerste afnemer, de fa. Sport Engros te Amsterdam. Deze aanbetaling was goed voor 31 paar Vikingschaatsen.

Deze eerste afnemer had beslist een streepje voor boven de anderen. Zo betaalde Sport Engros bv. voor een paar Viking-1 schaatsen t.w.v. f 57,50 slechts f 45,–. De sportzaken Neef en Eilers moesten daarentegen voor dezelfde schaatsen f 51,75 betalen. Tevens werden er orders geplaatst voor schaatsen zonder schoenen en ook losse schoenen werden geleverd.
Het was moeilijk, om een goede schaatsschoen te bemachtigen. Men ging altijd uit van een gewone schoen. De krachten echter, die op de schaatsschoen worden uitgeoefend zijn behalve verticaal, in grote mate ook overdwars. Tegen dit zogenaamde ‘zwikken’ moest je een goede schoen hebben.

Inmiddels hadden Co en Jaap in de fa. Hedon en vanaf maart 1949 ook in de fa. Rosmalen hun schaatsschoenfabrikanten gevonden. Later werd de schaatsschoen aangepast. Op de Noorse schaats ‘Ballingrud’ was een goede schoen gemonteerd en Havekotte was degene, die van deze schoen een gipsafdruk maakte en dit model verder heeft uitgewerkt tot een goede en zo belangrijke schaatsschoen.

Noors of niet?
Op 11 februari 1948 startte Co en Jaap de werkplaats in de Gerard Doustraat 226 te Amsterdam (Z), dat ze kochten voor f 5400,–  met als eerste personeelslid de hr. Henk Schaap. In augustus t/m december kwamen er nog vier man bij, nl. de heren Reiff, Eisinga, Groskamp en eind dec. kwam nog de 5e man in dienst. Begin 1949 begon de werk­plaats in de Gerard Dou­straat met zeven man personeel al aardig te lijken op een grote schaatsen­fabriek en later kwam daar nog de tweede fabriek bij in de 3e Oosterparkstraat 125 Amsterdam(O). Een bijkantoor bleek ook nodig en wel aan de Centuurbaan met postgiro 369091 bij de Amsterdamse Bank nv. Ook werd er wegens ruimtegebrek later nog een derde pandje in de 2e Oosterparkstraat gekocht. Tot 1955 is de fabriek in de Gerard Doustraat nog in gebruik geweest.

Daarbij werd de werkplaats in de kelder te Durgerdam ook nog aangehouden. Ze waren samen nog maar een jaar bezig, maar ze werkten dan ook als paarden. Co had zelf de voetplaatstempels gemaakt en mogelijk ook stempels voor de buis en het neusstukje. De potten of kegels werden toen nog met de hand geslagen, zelfs tot in de Oosterparkstraat. Het eerste model ‘Viking’ schaats dat op de markt werd gebracht, is verschenen onder de naam: ‘Norsk – Model Skoyter VIKING’ (‘skoyter’ betekent schaatsen en ‘skoyte’ betekent schaats.)

Tovenaar
In het weekblad Sportief van 7 januari 1949 schrijft  J. Havekotte dat hij had gezien dat deze Co Lassche op en top een vakman was, die in staat was tot in de puntjes verzorgd werk af te leveren. ‘De jonge kerel, die met ‘biscuitblikschaat­sen’ bij Jaap aan­belde, is inderdaad een tovenaar met staal en ijzer’ vermeldde het tijdschrift.

Havekotte vertelde mij meermalen, dat hij zonder Co nooit met de Viking zou zijn begonnen. Toen ik begin 2000 met mijn moe­der bij ome Jaap en zijn vrouw op visite was, liet hij me weer weten, dat Co met zijn twee handen meer presteerde dan vier volwassen kerels bij elkaar en daar ben ik best wel een beetje trots op.

Het compagnonschap is jammer genoeg in mei 1952 om persoonlijke redenen alweer tot een einde gekomen. Voor zover ik goed ben ingelicht was de zakelijke kant van Jaap wantrouwig ten opzichte van mijn vader Co, die niet zo zakelijk was en is daardoor de breuk ontstaan. Bij Co stond een mooie schaats nr.1 en niet de financiën, hetgeen bij Havekotte (overleden in 2014) duidelijk anders lag.

Havekotte is naar mijn mening ook altijd een harde werker ge­weest, waar ik veel respect voor heb en ik heb bemerkt, dat de breuk in het compagnonschap Havekotte pijn deed, wanneer hij erover sprak. Hij is naar mijn mening helaas wel in gebreke gebleven, om mijn vader Co mee te laten delen in de eer, die hijzelf in al die jaren daarna heeft ontvangen en zelfs is geridderd als ‘grondlegger’ van de ‘Viking’, wat niet terecht is. Co was de grondlegger, hij maakte de schaatsen, het was zijn ontwerp en naam, maar is slechts 46 jaar geworden.

Omdat Jaap moeilijk alleen verder kon, heeft Co ook na de breuk in zijn eigen bedrijf nog werk voor Havekotte geleverd o.a. in de vorm van het maken van schaatskegels (potjes) en de buizen.

Schaatsenfabriek Jac.C.Lassche Durgerdam in 1952Bron: Bert Lassche

Schaatsenfabriek Jac.C.Lassche Durgerdam in 1952 – Bron: Bert Lassche

Groot rood vliegwiel
Na het uiteenvallen van het samenwerkingsverband in 1952, waarbij Havekotte per se de naam ‘Viking’ wilde  aanhouden, is Co alleen verder gegaan en in die kleine kelder te Durgerdam is toen een echt fa­briekje ontstaan.
Op de voor­gevel van ons houten huis, waar mijn moeder tot in 2004 woonachtig was, heeft mijn vader in die tijd eigenhandig op een groot wit vlak de tekst ge­schilderd: ‘Schaatsen Fabriek Jac. J. Lassche Tel. K2904 229’.
In het midden stond de welbekende ‘Viking’-schaatsenrijder als logo afgebeeld. Daar kwam hij ook in het bezit van een pers, in mijn kinderogen een machtige machine met een groot rood vliegwiel, om de buizen, potten en voetplaten e.d. te slaan.

Deze pers was aangekocht met geld van Leo van der Kar, die hem sponsorde. Zonder deze machine had Co nooit op grote schaal de kwaliteitsschaatsen kunnen maken die uit zijn handen kwamen. Daarbij was hij in bezit van een smid­se, polijstmachine, zuur- tin en chroombad en diverse andere gereedschappen. Mijn moeder heeft in die tijd ook heel veel schoe­nen op de schaat­sen geklonken. Vanaf die periode heeft Co Lassche dus weer schaatsen in eigen beheer gemaakt.

Bert Lassche in zijn werkplaats

Bert Lassche in zijn werkplaats op 14 januari 2014
Bron: Bert Lassche

De auteur van dit artikel (2017) over Schaatsfabrikant Co Lassche (1919-1966) is zijn zoon Bert Lassche. Deze tekst verscheen voor het eerst in 2008 op Amstelveenweb. Nadien is de tekst door Bert Lassche aangepast met nieuwe informatie.

Bron: Schaatshistorie.nl
 
 
lijn