Het Amsterdam van Nescio

“Is u Amsterdammer?” vraagt Bavink aan Japi, de uitvreter, op de boot van Numansdorp naar Zijpe. “Ja, Goddank,” antwoordt Japi. Nescio, pseudoniem van J.H.F. Grönloh (1882-1961), was Amsterdammer. Maar net als de Titaantjes ontvluchtte hij regelmatig Amsterdam, de stad die hij tijdens zijn leven drastisch zag veranderen – zeer tot zijn ongenoegen.

“Groot was God dien middag en goedertieren. Door onze oogen kwam Zijn wereld binnen en leefde in onze hoofden.” In ‘Buiten-IJ’ voelen de Titaantjes zich de koning te rijk als ze de stad achter zich laten. Nu ze bevrijd zijn van het drukke kantoorleven en de “gewichtige heeren” kunnen ze opgelucht ademhalen. “We liepen van de stad af, wij stapten hard, de zoolen van Hoyer, die heel waren, klepperden op de keien. Bavink zwaaide z’n stok boven z’n hoofd en gaf Hoyer een duw. Wij waren blij en uitbundig om niets, om ’t mooie weer, om de zonneschijn, om de lucht om ons heen, die wij ademden en om de lucht boven ons, die wij zagen.”

nescio

Nescio op oudere leeftijd
Bron: www.schrijversinfo.nl

Wereldhervormers in de Horseshoe
Op 22 juni 1882, half drie ’s middags, werd in Reguliersbreestraat 49 Jan Hendrik Frederik, roepnaam Frits, geboren als oudste zoon van J.H.F. Grönloh en M.M. van der Reijden. Nog geen maand later werd zijn vader, die hier een winkel in hoeden dreef, failliet verklaard. Door de straat reed sinds een paar jaar de paardetram van de Dam naar de Sarphatistraat. In frebruari 1883 verhuisden de Grönlohs naar de Dapperbuurt in Oost, waar Frits zijn verdere jeugd zou doorbrengen. Eerst woonde het gezin Grönloh, met grootvader Van der Reijden, op nummer 9 van de Von Zesenstraat. Een jaar later werd Mauritskade 83 (nu 119), hoek Pontanusstraat, betrokken. Het uitzicht daar werd vooral bepaald door De Gooyer, een van de weinige molens die er nog zijn.

Met zijn ouders maakte Frits regelmatig uitstapjes. De wandeltochtjes hield hij bij in een schrift. “Voor 1891 had ik bezocht Amsterdam, Watergraafsmeer, Diemerbrug. Daarbij kwamen spoedig Duivedrecht, Oud Diemen. Van de eerste inbezitname dezer plaatsen weet ik niets meer af dan alleen dat ik eens op een erg drukken zondag met m’n ouders per stoomtram van Diemerbrug naar A’dam ging waarvan het heele personeel dronken was.” Als een echte boekhouder hield hij de afgelegde afstanden bij. In 1899 bedroeg het totaal van dat jaar 522 kilometer.

Na de lagere school in de Eerste Van Swindenstraat ging Frits naar de hbs op de Mauritskade. In ‘Najaar’ uit Boven het dal loopt Janus mijmerend door deze buurt: “Janus keek naar een plas, daarin was een stuk blauwe lucht en een witte wolk. Toen hij een jongetje was lagen op de Mauritskade ook zulke plassen. Hij liep naar de H.B.S., een man riep met aardbeien: ‘Sis sinte de mauje oarbaai’. Waar waren nu de witte wolken die er toen waren?” Met de tweejarige cursus aan de Openbare Handelsschool rondde Frits Grönloh zijn opleiding in juni 1899 af. Na zijn examen verliet hij Amsterdam en ging werken in Hengelo, waar hij bij zijn tante Agathe woonde. Lang duurde het niet, in december was hij weer terug.

In de Dapperbuurt woonden ook bijna al zijn vrienden, met wie hij eind 1901 – in navolging van Frederik van Eedens Walden – de kolonie Tames, bij Huizen, stichtte. Het ideaal was geen lang leven beschoren, al in 1903 verliep de zaak, “dat boeren van kantoorheeren lukt gemeenlijk niet al te best”. In ‘Insula Dei’, uit 1942 en verschenen in Boven het dal, ziet Dikschei het weer voor zich: “En ik zit er weer zo’n beetje bij, bij de wereldhervormers in de ‘Horseshoe’ op den Dam (nu lang geleden afgebroken) en ik weet weer niet zeker of ze me voor mal houden of niet.”

We keken over ’t IJ naar de stad
Terug uit Rheine (Duitsland), waar hij sinds 1902 gewoond en gewerkt had, ging Grönloh in 1904 bij de Holland-Bombay Trading Company werken, een handelskantoor in hoofdzakelijk textiel. Bij dit bedrijf, destijds gevestigd in Nicolaas Witsenstraat 12, zou hij zijn verdere leven blijven werken. Na zijn huwelijk met Aagje Tiket, in 1906, ging hij op Ringkade 29 (nu Transvaalkade) wonen. Daar werd de eerste van vier dochters geboren. Lang bleven ze er niet. Na een paar maanden bij de ouders van zijn vrouw ingewoond te hebben in Wagenaarstraat 29, verhuisde het gezin in juli 1907 naar ‘over ’t IJ’. Daar namen ze hun intrek in het bovenhuis van Villa Maria Catharina, Laanweg 61, het laatste huis van de straat. Hij schreef er zijn verhalen over zichzelf, zijn vrienden en hun idealen. In 1956 maakte hij de volgende kanttekening: “Maar ik heb nooit ‘talent’ gehad. Ik schreef zoo maar, zonder er iets bij te denken. ‘Verzinnen’ kon ik nooit wat.”

In 1918 verscheen Dichtertje. De uitvreter. Titaantjes in boekvorm, nadat de laatste twee verhalen eerst al apart waren gepubliceerd. Onder het gewijzigde pseudoniem – aanvankelijk was het Koekebakker – was Nescio (Latijn: ik weet (het) niet) in januari 1911 in De Gids gedebuteerd met ‘De Uitvreter’. Kort na het verschijnen van de boekuitgave verhuisden de Grönlohs naar de bovenwoning van Villa IJdam, Laanweg 53, waar ze tot 1926 blijven. In de periode dat Grönloh aan de Laanweg (afgebroken in 1963) woonde, is hij getuige geweest van twee grote tentoonstellingen in Noord. De Eerste Nederlandsche Tentoonstelling op Scheepvaartgebied (ENTOS) vond plaats in 1913. Voor de tentoonstelling werd het IJpaviljoen gebouwd (afgebroken in 1977). Van 1 tot en met 31 augustus 1919 werd de Eerste Luchtvaarttentoonstelling Amsterdam (ELTA) gehouden. Met zo’n half miljoen bezoekers, van wie 4000 hun vliegdoop ondergingen, was de ELTA een groot succes.

Graag vertoefde de schrijver aan het water bij het Tolhuis. “We zaten in den avond op ’t terras van ’t Tolhuis en keken over ’t IJ naar de stad.” De schets uit 1918 nam Nescio op in Boven het dal, “omdat ik graag zou willen dat u ook niet genoeg van Amsterdam kon krijgen”. Het gaat dan wel om het Amsterdam met een “donkerblauwe lucht”, “de stad aan den overkant” die “zwakjes en onschuldig” ademde en bij het Tolhuis was het “stillig, er waren weinig mensen”.

Voor zijn werk moest Grönloh dagelijks met de pont het IJ over. In 1922 werd, na jaren strijd, de overtocht gratis. De Holland-Bombay Trading Company was intussen verhuisd naar Keizersgracht 513-517, tussen Leidsestraat en Nieuwe Spiegelstraat. Als hij met de tram naar zijn werk ging, is lijn 2, die tussen het Centraal Station en de Koninginneweg reed, de meest logische geweest. In ‘Titaantjes’ neemt Koekebakker dezelfde tram. “Met lijn twee reed ik over den Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den eenen kant naar den anderen oversteken. Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige heeren. Een paar vreselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets was ik daarbij.” Ook Eduard, het dichtertje uit het gelijknamige verhaal, voelt dadelijk het standsverschil als hij in lijn 2 “een dame van een jaar of zes-en-twintig” ziet binnenkomen, “stagiglijk, rijzig in haar bruine mantelpak, de openstaande kraag, manchetten en onderkant van mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote, afhangende mof van ’t zelfde bruine laken met ’t zelfde bont bezet, klein bruin hoedje met zwart bont op ’t fijne gezichtje. Alles echt lijn 2, Museumkwartier.” In de “eerbiedwaardige familiariteit van den conducteur van lijn twee” kan het dichtertje zich wel verheugen.

Tussen de boterbloemen op de Ringdijk
Is Koekebakker nog blij dat de Nieuwezijds Voorburgwal gedempt is, van het Damrak moet men afblijven. Hij vreest echter het ergste: “En ook ’t Damrak zou wel gedempt komen als ze er toe waren.” Gelukkig zijn ‘ze’ er nooit aan toegekomen het Damrak volledig te dempen, hoewel in 1951 de gedachte nog is opgeworpen. Al vroeg zag de schrijver de stad teloorgaan. Zo brengt Japi, de uitvreter, zijn laatste maanden tobbende door in Amsterdam, “waar ze druk bezig geweest waren, mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten”. In een van de voorstudies voor ‘De uitvreter’ is Nescio nog duidelijker: “In Amsterdam dempten ze de grachten, bouwden ze Paleizen voor Volksvlijt en paleizen waar je heeren en jongeheeren confectie kon koopen, mooie huizen braken ze af, boomen rooiden ze overal, heele streken hadden ze vernield en geschonden”. Maar: “De Reguliersgracht is nog niet gedempt.” Goddank niet, mogen we nu zeggen.

Niet alleen Amsterdam was het doelwit van de slopershamers. Het hele Hollandse landschap was slachtoffer. In ‘Insula Dei’ betreurt Nescio bij monde van Flip “onze boomen aan den dijk tegenover Rhenen. Een groep zooals onze lieve Heer er hier en daar voor ons liet groeien. Hoog waren die, tja die waren hoog. En ze hoorden bij Rhenen. De dijk moest versterkt. Gesloopt hebben ze onze boomen. Wie waren wij, dat ze ze niet zouden sloopen?” bomen, bruggen, rustieke wegen en wat al niet verdwenen in een mum van tijd. OP dergelijke praktijken was het treffende antwoord van Nescio: “God zegene de verantwoordelijke authoriteiten. Als ’t kan een beetje hardhandig.”

nescio boekomslagIn ‘De uitvreter’ en ‘Titaantjes’ speelt Amsterdam een bijzondere rol. De stad is de woonplaats van wereldhervormers, maar de “gewichtige heeren” op kantoor ontnemen hen alles, zelfs het uitzicht op de lucht. “En als zij vonden, dat ’t koud was, dan moesten alle ramen dicht en ’s winters moest ’t licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij de roode lucht niet zagen en ‘ schemeren in de straat niet, en wij hadden niets te vertellen.” Ze nemen wraak. Om zichzelf te kunnen zijn, vluchten ze de stad uit. Ransdorp, Durgerdam, Schellingwoude of nog verder weg, daar kunnen ze opgelucht ademhalen. “’s Zondags liepen wij en uren en uren ver over wegen, waar zij nooit kwamen (…)”. Waar ze ook sterk waren, “dat waren, na kantoor, tochten naar den Ringdijk. Daar zaten we in ’t gras tusschen de boterbloemetjes beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien.” Ook in ‘Dichtertje’ beleeft Eduard pas zijn mooie momenten als hij de stad uit is, met Dora. In Lent “praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieën en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe inval uit zou flitsen”.

Wat de Titaantjes wel in de stad konden, was praten. “Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.” Dat juist dit hek op zijn 70ste verjaardag werd rechtgezet, zinde de bejaarde schrijver in het geheel niet.

De schrijver moet de stad goed gekend hebben en daarom is een bepaalde passage uit ‘Mene Tekel’ nogal raadselachtig. In dit vroege verhaal uit 1913 en 1914, voor het eerst gepubliceerd in 1935 in De Stem en in 1956 toegevoegd aan De uitvreter. Dichtertje, komt een mannetje “in opdracht van een tijdschrift” langs, omdat hij gehoord had dat Bavink “bijzonder knap werk maakte”. Bavink en het mannetje begrijpen elkaar absoluut niet en de schilder verwijst hem naar Hoyer. “’Gaat u dan maar naar meneer Hoyer’, heb ik gezegd, ‘in de Van Woustraat, die kan u alles vertellen wat u weten wil en die spreekt als een tijdschrift. Van Woustraat 28.’” Het mannetje zal lang naar Hoyer gezocht hebben: Van Woustraat 28 bestond (en bestaat) niet. Waarom Grönloh dit adres heeft opgevoerd, is onbekend.

De boomen van Frankendaal
Toen Grönloh in 1926 benoemd werd tot directeur van de Holland-Bombay Trading Company, kwam van schrijven en uitstapjes maken niet veel meer. Het gezin verhuisde van de Laanweg naar Middenweg 166, in de Watergraafsmeer. Het gedeelte waar de Grönlohs gingen wonen, heette Walenburg en lag aan de rand van Betondorp, tussen de Zaaiersweg en de Egstraat. Voor de deur was een halte van de Gooische Stoomtram, die vlak langs de toen al lang teloorgegane kolonie Tames reed. Was het uitzicht eerst nog weids, in 1934 werd het Ajax-stadion schuin tegenover zijn huis gebouwd, waarvoor hofstede Voorland gesloopt werd. Met het oog op de te verawchten toeloop is toen ook de Middenweg verbreed.

De bovenwoning van Linnaeushof 11 werd in het eerste oorlogsjaar betrokken. Het gezicht van het hofje werd en wordt vooral bepaald door de kerk van de Heilige Martelaren van Gorcum. Intussen beschikte Nescio over meer vrije tijd en ging hij zijn oude aantekeningen doornemen. Hieruit stelde hij in 1942 Boven het dal samen, dat pas in mei 1961 – twee maanden voor zijn dood – zou verschijnen, aangevuld met enkele nieuwe verhalen. Ook voor uitstapjes had hij nu weer tijd. In zijn ‘Natuurdagboeken’, die hij bijhield van 1946 tot 1955, noteerde hij die tochtjes door het Hollandse landschap. Geliefd waren het gooi en de grote rivieren. Amsterdam komt haast niet voor in de dagboeken, hoogstens als vertrekpunt. Zijn ideaal omschrijft hij op zijn 71ste verjaardag dan ook als: “ (…) gras, een watertje, een paar knotwilgen, een rijtje matig hooge wilgen, populieren, een paar koeien en een paard, zon en schaduw en een zuchtje wind zoodat de bladen van de matig hooge wilgen zachtjes bewegen.” Vooral geen “litteratuur, kunst of diepzinnigheid”.

Grönloh wandelde graag in de tuinen van stadskwekerij Frankendael, het laatste nog bestaande hof in de Watergraafsmeer, waar ooit meer dan 25 hofsteden stonden. In zijn donkere kamer denkt Dischei aan de bomen en de lucht bij Frankendael. “Regen! En uit ’t verleden, een ver verleden van vijf weken geleden, maar zóó ver weg, uit het verleden verrijzen de boomen van Frankendael, blauwe en rooie druppels glinsteren aan de takken, een witte druppel fonkelt fel en trilt en is dan ineens zacht blauw. De boomen zijn kaal, natuurlijk zijn ze kaal, ’t is Januari. Lange strepen licht schitteren op de takken en als ik naar boven kijk zie ik alle fijne twijgjes en de kleine knopjes tegen de zwak-blauwe lucht.”

Maar ook van Frankendael konden ‘ze’ niet afblijven. Had men in 1931 de notebomen langs de Middenweg al omgehakt, in 1951 werd weer een rij bomen gerooid en het ingangshek van Frankendael verplaatst om een fietspad aan te kunnen leggen. Op tweede kerstdag 1953 ziet Grönloh de lucht weer boven de stad. “Lenteochtend, blauwe lucht en zon en overal op den Linnaeushof de ramen open. Zoo zacht.” De door zijn zwakke gezondheid afgedwongen verhuizing in 1956 van Linnaeushof 11 naar nummer 57 viel hem zwaar. Nu hij voor het eerst in een benedenwoning ging wonen, kon hij – volgens een buurvrouw – nooit meer “in de lucht kijken”.

Dit artikel is al eerder verschenen in het blad Ons Amsterdam. Het artikel is geschreven door Maurits Verhoeff. Het is gepubliceerd op april 1994
 
 
Bronnen: Ons Amsterdam
 
lijn