Leven op het Blauwe Zand

texelplein 12

Links op de foto is Texelplein 12
Foto: Ruud Slagboom

Mijn moeder is net niet geboren op Het Blauwe Zand. Als jongste van het gezin van Willigen-Das zag ze het levenslicht in oktober 1929 in een “onderwoning” op de Nieuwendammerdijk. Ze had een broer en twee zusjes. Nadat een rat in haar wieg was aangetroffen, trokken ze naar de Vogelbuurt. Maar echte nieuwbouw lonkte, en in 1932 besloten ze naar het zojuist afgebouwde Tuindorp Buiksloot te verhuizen. Op Texelplein 12 betrokken ze een ruime woning: woonkamer, keuken, bijkeuken, achtertuin mèt schuur, 2 flinke slaapkamers, 2 smalle opkamertjes en een zolder.

Eén van die slaapkamers was ongetwijfeld voor haar broer, want zo schrijft mijn tante, nu 92 jaar, in haar schriftje met herinneringen, Cor werd vreselijk verwend: “Hij had zijn eigen potje roomboter!”

Via “het laantje” zijn de tuinen nog steeds achterlangs bereikbaar: veel van het dagelijks leven speelde zich daar af. Het Texelplein was in de jaren ’30/’40/’50 een oase van ruimte: geen auto’s en een groot plantsoen, dat midden jaren ’50 werd gevuld met de karakteristieke speeltoestellen van architect Aldo van Eyck: zandbak, koepelklimrek, en drie in hoogte verschillende rekjes. Achter het elektriciteitshuisje verstopte ik me vaak om buiten te kunnen blijven.

Typisch Amsterdams, onlogisch dus, is de nummering van Texelweg en –plein. Vanaf de Waddenweg loop je de Texelweg op, tot aan nummer 3. Het eerstvolgende hoekpand is dan Texelplein 10, dan 12, de volgende deur is Texelweg 5.

Twee zaken hebben de jeugd van mijn moeder daar verpest: het overlijden van haar moeder, nog geen 40 jaar oud in 1937, en de Hongerwinter. Ander opmerkelijk feit: in mei 1944 ontving mijn grootvader een plaquette vanwege zijn 25-jarig dienstjubileum als wegwerker bij de Waterlandsche Tram. Hij hangt bij mij thuis op een ereplaats.

texelplein

Het kinderspeelplaatsje in het midden van Texelplein – Foto: Ruud Slagboom

Na haar huwelijk woonde ze met mijn toekomstige vader in – ongelooflijk veel jonge gezinnen moesten inwonen. Maar toch: gelukkige jaren. Twee kinderen, geboren in 1952 en 1954, het huis, de tuin, het plein, de buren – alles was vertrouwd. Men ging meestal in goede harmonie met elkaar om, al konden ze regelmatig genieten van knetterende burenruzies.

Natuurlijk had ik als jongetje geen weet van samenstelling van de bevolking. Later las ik dat er vooral communisten woonden. Mijn opa was een niet-kerkse katholiek, mijn ouders deden niet aan geloof. Naast ons de gereformeerde familie van der Veen. Twee grote families waren ook katholiek: Cerneüs (“Sjeneus”) en van Teeffelen. Of de buren van Texelplein 10 ( Van den Berg) en Texelweg 9 (Boerrigter ) “iets” waren, is me onbekend.

Naar school ging ik niet op het Blauwe Zand: eerst naar Hillegonda de Zwartschool in de Merelstraat, daarna naar de Mussenstraatschool. Eind 1959, ik zat in de tweede klas, verhuisden we naar het beloofde land in Amsterdam-West. Maatschappelijk Werk vond het hoog tijd dat mijn ouders op zichzelf gingen wonen. Mijn vader vond dat niet nodig; hij kon goed opschieten met zijn schoonvader en wilde hem wel meeverhuizen, maar dat wilde Antoon zelf niet. Hij bleef op het Texelplein, tot hij, in 1964 niet meer zelfstandig kon blijven wonen. Daarmee kwam een einde aan onze geschiedenis op het Blauwe Zand – toen mijn opa naar Sint-Bernardus vertrok viel voor ook de reden om bijvoorbeeld nog mee te doen aan de traditionele Sint Maartenviering – want daar hadden ze in West toen nog geen weet van.

Mijn band met het Blauwe Zand bleef nog omdat ik in 1962 lid werd van De Volewijckers- de jeugdvelden lagen op een steenworp van het dorp met de rode daken. En ik logeerde een aantal keren bij onze voormalige buren op Texelweg 5. Voor ik aanbelde had ik moorkoppen gekocht bij de bakker op de Waddenweg.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het blad Ons Amsterdam. Het artikel is geschreven door Leo Willemse. Het is onbekend wanneer dit in Ons Amsterdam is gepubliceerd.
 
 
Bron: Ons Amsterdam
 
lijn