Watersnood in de Buikslotermeer

buiksloot watersnood

Het N.H. Kanaal te Buiksloot
Bron: Beeldbank Amsterdam

In de vroege ochtend van 14 januari 1916 brak bij Katwoude en Uitdam de Waterlandse Zeedijk door. Het water van de Zuiderzee overspoelde plotsklaps het achtergelegen land en ook het tegenwoordige Amsterdam-Noord liep grotendeels onder. Het hele gebied rondom het huidige Buikslotermeerplein veranderde in een binnenzee die op sommige plaatsen wel zo’n zes meter diep was. Voor evacués werd een eerste opvang ingericht in het Tolhuis, waar in de tuin ook het vee in veiligheid werd gebracht.

De dijkdoorbraken waren het gevolg van een noodlottige samenloop van omstandigheden. De dijken in Waterland waren slecht onderhouden. Omdat het dagen achtereen had geregend, waren ze bovendien doorweekt en slap. Het water van de Zuiderzee stond door een aanhoudende noordwestenwind extreem hoog. In de rampnacht trok de wind nog verder aan en ruimde in noordelijke richting.
Het water kon geen kant meer op en zocht zijn weg naar het land achter de dijk.

“In de nacht van vrijdag op zaterdag was het hier op de dijk vreselijk druk. Allemaal vluchtende mensen, want vrijdagmiddag omstreeks één uur begon de Buikslotermeer ook vol te lopen. Al die mensen moesten onderdak gebracht worden.” H. van Wijngaarden, destijds bakker in Buiksloot, is inmiddels 82 jaar oud als hij dit vertelt aan de Noord-Amsterdammer, maar hij weet het nog precies. “Ik kwam gewoon handen tekort om alle mensen van brood te voorzien. Dinsdag kwam bij ons het water de kelder instromen. Met behulp van een vlondertje kon ik door blijven bakken.” De eerste twee weken leende Van Wijngaarden laarzen, maar die moesten een keer terug. “Het brood moest echter gebakken worden, zodat ik op mijn blote voeten verder ben gegaan. Ik snap nog niet, dat ik gezond ben gebleven. Half februari kwam het water zo hoog, dat ik niet langer door kon gaan.”

buiksloot watersnood

Lopend over houten vlonders brengen de mensen nog wat geredde spullen naar de kerk, Buiksloot, 1916
Bron: Beeldbank Amsterdam

Uit het verhaal van bakker Van Wijngaarden wordt duidelijk dat het water geleidelijk kwam en dat de gevolgen niet overal hetzelfde waren. De Buikslotermeerpolder stond al snel meters onder water. De Buikslotermeerdijk rondom de polder – ook wel aangeduid als Meerdijk – en het land achter Buiksloot en Nieuwendam (toen nog zelfstandige gemeenten; sinds 1921 behorend bij Amsterdam) kwamen minder diep onder te staan, maar ook daar konden bewoners en vee niet blijven. De Buiksloter- en Nieuwendammerdijk hielden stand en de weg daarover bleef begaanbaar. Het gebied ten zuiden van deze dijk werd goed beschermd door de Oranjesluizen en leed weinig waterschade. In het ondergelopen gebied ten noorden van de dijk steeg het water ook na 14 januari gestaag. Het einde was nog lang niet in zicht en het dieptepunt van de ellende werd voor de achtergebleven inwoners van Buiksloot en Nieuwendam pas bereikt toen een ijzige sneeuwstorm in de tweede helft van februari de dorpen teisterde.

Overal drijft huisraad
In Buiksloot en Nieuwendam drongen de berichten dat het water eraan kwam die vrijdag al ’s morgens vroeg door via de eerste vluchtelingen uit Broek en omgeving. Bakker Van Wijngaarden raadde zijn klanten op de Buikslotermeerdijk aan om zich uit de voeten te maken. “Er heerst in de Buikslotermeer een ware paniek,” lezen we in de Goedkope Purmerender Courant van 16 januari. De klokken luidden aanhoudend en de inwoners van de polder verlieten hun woningen. “De boeren drijven het vee voor zich uit en de gehele Buiksloterstraatweg is gevuld met koeien, schapen en varkens.” Het vee werd naar het Tolhuis gebracht, waar het zich de komende dagen zou verdringen in de tuin. Het Tolhuis zelf werd ingericht als eerste opvang voor de vele vluchtelingen, die later overigens op andere plaatsen in Amsterdam werden ondergebracht.

buiksloot watersnood meerweg

De Meerweg in Buiksloot tijdens de watersnood 1916
Bron: Beeldbank Amsterdam

In de dorpen ging het leven voorzover dat mogelijk was gewoon door. De school van Buiksloot was ondergelopen en de kinderen werden de eerste tijd ondergebracht in de Nederlands Hervormde Kerk, gelegen op een terp en voor de gelegenheid vanaf de Buiksloterdijk bereikbaar gemaakt met een lange noodbrug. Maar op den duur moest ook de kerk ontruimd worden. Ten noorden van de dijk en vooral in de Buikslotermeer was voortgang van het dagelijks leven onmogelijk. Op een enkele uitzondering na moesten hier alle inwoners hun huizen verlaten. In het Algemeen Handelsblad van 16 februari lezen we hoe het er een maand na de doorbraak voorstond: “De percelen van de Meerdijk staan aan hun achterzijde diep in het water en hebben vooral bij oostelijke wind van golfslag en aanspoelend hout veel te lijden, zodat reeds van enkele woningen de achterwand en ramen gedeeltelijk zijn verdwenen en de stukken huisraad zich verspreiden op de grote en diepe watervlakte van de Buikslotermeer.”

Nooit had Buiksloot zo te lijden
Het ergste moest toen nog komen. Terwijl het water bleef stijgen en het land al dagenlang door harde winden was gestriemd, stak in de nacht van 22 op 23 februari een sneeuwstorm vanuit het noordoosten op. “Het is een vreselijke nacht geweest. De storm stond pal op ons dorp en nog nooit heeft het zo te lijden gehad als thans,” zo citeert het Algemeen Handelsblad van 23 februari gemeentesecretaris Pauw van Buiksloot. Van wat na een maand watersnood nog overeind stond, werden die nacht volgens de krant vijftien huizen tot wrakhout geslagen.

Koningin Wilhelmina

Koningin Wilhelmina en de leden van de Commissie van Ontvangst tijdens het bezoek aan het getroffen gebied. Bron: Beeldbank Amsterdam

Na deze storm was het ergste voorbij. Naast de enorme materiële schade had de ramp in Buiksloot en Nieuwendam drie mensenlevens geëist. Op 18 februari waren twee mannen verdronken, toen hun praam lek stootte op de kolkende Buikslotermeer. Ze waren gevlucht in een telefoonpaal, maar hadden zich op den duur niet meer kunnen vasthouden en waren in het water gestort. Bij de kerk van Buiksloot was een vierjarig meisje verdronken. Ze was met haar familie ondergebracht in de kerk en in een onbewaakt ogenblik door de geopende deur geglipt en te water geraakt.
Toen de rust was weergekeerd kon langzaam begonnen worden met de drooglegging van het overstroomde gebied. In de Buikslotermeer was pas 27 juni al het overtollige water afgevoerd. Bakker Van Wijngaarden was toen al ruim twee maanden weer volledig in bedrijf.

Het verhaal van Buiksloot en Nieuwendam maakt maar een klein deel uit van de watersnoodramp van 1916. Het ondergelopen gebied strekte zich uit tot aan Zaandam, Purmerend en Edam. Op Marken vielen zestien doden. Afgezien van Noord-Holland werden ook andere delen van het land getroffen door de ramp, die uiteindelijk de doorslag gaf voor het politieke besluit tot aanleg van de Afsluitdijk.

Dit artikel is al eerder gepubliceerd in het blad Ons Amsterdam. Het artikel is geschreven door Marius van Melle en Niels Wisman. Het is gepubliceerd in januari 2006.
 
 
Bron: Ons Amsterdam
 
lijn