Het galgenveld

In 1409 – nu precies zes eeuwen geleden – kreeg Amsterdam het ‘hoog gerecht’ over de Volewijk, de landtong aan de overkant van het IJ waar toen nog amper een mens woonde. De schout van de stad Amsterdam nam de leiding over de rechtspraak in dit gebied over van de baljuw van de graaf van Holland. Daarmee kwam ook het beheer van het daar liggende galgenveld in handen van de stad. Volgens stadsgeschiedschrijver Jan ter Gouw is deze tentoonstellingsplek van geëxecuteerden al rond 1360 aangelegd.

Galgenvelden (of galgenbergen in het oosten van het land) lagen altijd bij de belangrijkste invalswegen van een stad om zo aan de reizigers aanschouwelijk onderricht te geven over de strenge orde die in de stad heerste. In Amsterdam was de Volewijk een niet te missen punt voor de schepen die over het IJ naar de stad voeren. Ook vanuit de stad waren de bungelende lijken goed te zien. Destijds was het nog maagdelijke grond, omgeven door diepe inhammen aan weerskanten (deze Buiksloterham en Nieuwendammerham zouden pas in de 19de eeuw ingepolderd worden). Maar liefst vier eeuwen lang, tot 1795, heeft het galgenveld gefunctioneerd.

Je zou denken dat zo’n plek voor burgers een oord van verschrikking was, een plek die mensen liever meden en waarover men niet onnodig uitwijdde. Frappant is echter dat schilders van stadsgezichten het galgenveld er vaak expres bij namen, ook als daarvoor een truc moest worden uitgehaald met het perspectief. Alsof dan pas het aangezicht van de stad compleet was. Op de beroemde houtsnedekaart van Cornelis Anthonisz van 1544 is zelfs een heel “gerechtelijk lunapark” op de Volewijk getekend, zoals Jelgersma het noemt in zijn boek over galgenvelden in Nederland. De grote galg met twee rijen gehangenen die hij heeft getekend, is afgeleid van een Parijs model. Daarnaast zijn nog drie raderen te zien (waar de lijken zittend op werden gezet) en nog diverse andere typen galgen. Hoogstwaarschijnlijk heeft de kunstenaar de boel verfraaid om recht te doen aan de status van de “vermaerde koopstadt”, zoals hij Amsterdam op zijn kaart noemt.

Dat een galgenveld juist extra cachet gaf aan een stad of dorp, is ook te zien aan een fraaie aquarel die Johannes Vingboons rond 1665 maakte van de overzeese nederzetting Nieuw Amsterdam, het latere New York, waarvan de stichting dit jaar wordt herdacht. Alles oogt typisch Hollands: popperige huisjes met rode daken, een molen, een reusachtige kerk. En op de voorgrond een galgenveld. Volgens Jelgersma stond een galgenveld symbool voor de juridische autonomie van een stad of heerlijkheid, juist daarom mocht het niet ontbreken op een stads- of dorpsgezicht.

Stedelijk theater
Een galgenveld gold dus niet als iets beschamends of zelfs maar een noodzakelijk kwaad. Het was juist vertier – een stuk stedelijk theater waar velen van genoten, net als van de openbare terechtstellingen op de Dam. Aan de enscenering werd de nodige zorg besteed. Geëxecuteerden werden tentoongesteld met het voorwerp waarmee ze hun misdrijf gepleegd hadden boven hun hoofd: een dienstmeisje kreeg een ‘stilletje’ (privaat) boven haar hoofd waarin ze haar kind verdronken had, boven een ronselaar werd een bos sleutels gehangen, en moordenaars waren op het galgenveld te zien met hun moordwapen. Men had zelfs de creativiteit een andere vrouw die haar kind vermoord had, een houten pop boven het hoofd te hangen. En een schipper die een gat in zijn schip had geboord om zich na de schipbreuk meester te maken van de lading, werd opgehangen met een scheepsmodel plus een boor boven zich. Verachting voor het lijk werd ook uitgedrukt door de manier waarop het naar het IJ vervoerd werd: over de grond gesleept met het gezicht naar de grond, vastgebonden aan de staart van een paard. Daarna werd het per koeschuit – expres een zo banaal mogelijk vervoermiddel – naar de overkant geroeid.

Galgenput 1780, R.Vinkeles – Bron: Stadsarchief Amsterdam

In de eerste helft van de 17de eeuw werd het galgenveld verfraaid met een stenen put met drie hoge zuilen met leeuwenkoppen, alsof het een eerbiedwaardige ceremonie was die zich daar afspeelde. De lichaamsresten vielen na verloop van tijd in de put. Als het IJ ’s winters dichtvroor, wat toen nog geregeld gebeurde, stak men per schaats of slee het ijs over om eens een kijkje te nemen. Het ijsvermaak rond de galgenput kon bizarre vormen aannemen, zoals te zien is op een prent van Reinier Vinkeles uit ongeveer 1780. Vlakbij de put zijn twee koek-en-zopietenten opgesteld met drukke klandizie. Een man doet zijn behoefte tegen de put aan om zo kennelijk zijn afkeer te demonstreren. Toeschouwers, onder wie een vader die zijn kinderen uitleg geeft, bespreken genoeglijk met elkaar wat er allemaal te zien is. Bekend is dat lichamen jarenlang op het galgenveld bleven hangen of liggen. De zich verpozende bezoekers konden zich aan alle mogelijke stadia van verval vergapen. Zwermen kraaiachtige vogels en talrijke ratten vraten de skeletten kaal.

Voor galg en rad
Zo ontwikkelde het galgenveld zich steeds meer tot een populaire toeristische attractie. Al in 1662 was het Tolhuis op de Volewijk gesticht voor de inning van tolgelden door de stad Amsterdam. Tevens was hierin een herberg gevestigd. In de loop van de 18de eeuw bloeide het Tolhuis op tot een populair uitgaansoord voor Amsterdammers. Het lugubere gekras van de kraaien en de akelige stank van het galgenveld stonden de pret niet in de weg, integendeel. De stadsbewoners liepen vanaf de Tolhuistuin met hun kinderen langs het Galgepad om hen te laten zien wat (letterlijk) bedoeld werd met ‘voor galg en rad opgroeien’. In 1770 liet het stadsbestuur aan de oever van het IJ bij het Tolhuis een theekoepel bouwen. De toeloop was zo groot dat deze na vijftien jaar al vergroot moest worden.

Tien jaar later was het plotseling gedaan met dit volksvermaak. Direct na het uitroepen van de Bataafse Republiek in 1795 verscheen een proclamatie waarin de galgenvelden verboden werden. De nieuwe bestuurders vonden de cultuur van leedvermaak rond doodvonnissen een uiting van een gebrek aan beschaving, waardoor “de menschelijke waardigheid tot den hoogstmogelijke trap van vernedering [wordt] gebracht”. Binnen zes weken moesten de honderden galgenvelden en galgenbergen overal in ons land zijn opgeruimd. De scherpe veroordeling is opvallend, omdat in de publieke opinie en in juridische kring tot die tijd nauwelijks tegengeluiden te horen waren geweest. Toch was kennelijk de aversie sterk gegroeid binnen de Patriottenbeweging die toen de macht overnam.

De herinnering aan de afschaffing dook in 1917 in de gemeenteraad weer op, toen het links-liberale raadslid Klaas de Vries (vader van tv-pionier Erik de Vries) zich verzette tegen het geven van bloemennamen aan de geplande nieuwe straten in Noord. Hij vond het gepaster de politici en juristen te gedenken die er in 1795 voor hadden gezorgd dat deze lugubere plek werd opgeruimd. De wethouder wuifde het voorstel weg als een “verdienstelijk staaltje van galgenhumor”. Ook bij de recente naamgeving van de Overhoeks-straten heeft men geen poging gedaan de geschiedenis van het gebied recht te doen.

Mottige Piet
Wie hingen er nu op het galgenveld? Wat voor ergs moest je gedaan hebben, wilde je daar terechtkomen? De gruwelijkheid van de strafvoltrekking doet onvermijdelijk de gedachte opkomen dat het strafrecht toen zeer wreed was. Toch viel het aantal doodvonnissen mee. Slechts enkele malen per jaar kwamen de schepenen op deze straf uit. In de overgeleverde teksten is wel een zekere wellust te bespeuren in het vaststellen van de precieze vorm van het doodvonnis: ophangen, wurgen, radbraken of onthoofden. Dat het lijk daarna naar de Volewijk werd overgebracht, was ook geen uitgemaakte zaak. Misdadigers die erg veel berouw toonden, ontliepen dit lot. Zo werd in 1761 een timmermansknecht wegens inbraak op de executieplaats op de Dam opgehangen. Hij stierf met veel “leetwesen, kermende om sijn arme ongelukkige vrouw en twee kinders”. De toekijkende predikanten en stadsbestuurders waren “seer voldaan over sijn gedrag, waarom hij ook een kist gekreegen heeft en begraave is geworden”.

Het aantal doodvonnissen mocht dan meevallen, er was wel sprake van klassenjustitie en willekeur bij het vellen van straffen. Tot de Franse tijd bestond er geen wetboek van strafrecht; de schepenen die met elkaar de rechtbank vormden, handelden per geval naar eigen inzicht. Het waren bij uitstek armen en machtelozen die op het houten schavot op de Dam belandden. De rijkeren kochten hun zaak af bij de schout. De terdoodveroordeelden waren in hun eigen omgeving bekend onder schilderachtige namen als Piet Porcelein, Jan Spek, Mooi Pietje, Zwarte Toon en Mottige Piet. Je kon het ook té erg maken in de ogen van de Amsterdamse schepenen. Voor homoseksuele mannen (‘sodomieten’) die ten tijde van de Republiek zwaar werden vervolgd, vond men een verblijf op het galgenveld nog te veel eer. Hun lijken werden met stenen verzwaard op een diepe plek in het IJ gegooid.

Historische zichtlijn
Het galgenveld op de Volewijk was niet alleen een oriëntatiepunt voor de binnenvarende schepen, maar was eeuwenlang ook goed zichtbaar vanaf de stad. Toen de Westelijke Eilanden begin 17de eeuw waren aangeplempt, kreeg de straat die het beste zicht gaf op de bungelende lijken in de volksmond de benaming Galgenstraat. De vroedschap koos in 1662 voor het deftiger klinkende Prinsendwarsstraat, maar deze naam heeft nooit ingang gevonden. Volgens Angelo Goedemondt, bewoner van het Prinseneiland, was er tot enkele jaren geleden vanuit de Galgenstraat nog onbelemmerd zicht op gebouw Overhoeks alias de ‘Shelltoren’, over het nog kale Westerdokseiland heen. Recente hoge nieuwbouw maakte daaraan een eind. “Als buurtbewoners hebben we toen geprotesteerd tegen het verdwijnen van deze historische zichtlijn, toch een soort cultureel erfgoed. Maar dat mocht niet baten.”

De woningbouw op Overhoeks en de aanleg van het Filmmuseum, bedoeld om de noordoever een grootstedelijke allure te geven, moeten de laatste spoken uit het verleden verdrijven. Al valt niet uit te sluiten dat in de diepere lagen van de veengrond nog oude knekels en gebitsresten bewaard zijn gebleven. De put is immers nooit geruimd; er is alleen zand overheen gelegd. Toen hier aan het einde van de 19de eeuw bedrijven gevestigd werden (een lompenhandel, een lakfabriek en tanks van de Dordtsche Petroleummaatschappij, later Shell), kwamen nog geregeld beenderen naar boven bij graafwerkzaamheden.

In Helshoven (Belgisch Limburg), een bedevaartsoord ter ere van Maria, is in 1982 op initiatief van een monnik een historische galg heropgericht, omgeven door picknickbanken. Een idee voor het nieuwe stadspark aan de noordoever? De archeologische dienst van de gemeente vermoedt op basis van kaartvergelijking dat de put onder het uit 1970 stammende gebouw Overhoeks ligt. Men neemt aan dat zo’n duizend lichamen in de loop der eeuwen hier in de veengrond terecht zijn gekomen. De Overhoekstoren wordt echter bij de herinrichting van het Shellterrein niet gesloopt, dus Mottige Piet en Zwarte Toon hoeven niet te vrezen voor de verstoring van hun eeuwige rust.

 
 
Bron: Ons Amsterdam
 
 

X