Ketjen, fabriek van vitrioololie

Ketjen is het kenmerkende deel van de naam van een Nederlands chemiebedrijf, opgegaan in AkzoNobel. De naam verwijst naar medeoprichter en later enig firmant Gerhard Tileman Ketjen. De naam wordt nog gebruikt voor een industrieterrein in Amsterdam-Noord. Oorspronkelijk produceerde men vitrioololie ofwel zwavelzuur.

In Frankrijk, België en Duitsland waren begin 19e eeuw al meer zwavelzuurfabrieken. De Belgische fabrieken leverden ook aan Nederland. Na de Belgische Opstand viel deze mogelijkheid weg. Ketjen was een van de eerste Nederlandse zwavelzuurfabrieken.

Oprichting
De oprichting van het bedrijf vond plaats op 1 april 1835 te Amsterdam als ‘eener fabryk van vitrioololie’. Initiatiefnemer notaris Bruno Tideman benaderde zijn neef Jacob Jarman voor de technische kennis. Samen haalden ze Gerard Tileman Ketjen er bij voor de commerciële kant van de onderneming.[2] Ketjen was handelaar in drogerijen (drogisterij-artikelen) en verfwaren. De oprichtingsakte werd op 9 april formeel geregistreerd op Texel, waar de vennoten aan land gingen, terwijl ze op weg waren naar Parijs om daar een platina ketel te kopen waarmee zwavelzuur zou kunnen worden ingedampt. De fabriek werd gevestigd in de voormalige kopersmelterij en -pletterij De Heus te Amsterdam op een open terrein, Trapjesschans geheten, ter plaatse van de huidige Marnixstraat tussen de Leidsegracht en de Stadsschouwburg tegenover de Overtoom. Het was toen een terrein aan de stadsrand waar ook een aantal andere fabriekjes stonden. Deze fabriek was nodig omdat de afscheidingsoorlog met België woedde, wat tot dan toe de belangrijkste leverancier van zwavelzuur was.

In 1870 werd het nabijgelegen terrein met windmolen De Liefde overgenomen. Deze korenmolen werd afgebroken.

Ten gevolge van stadsuitbreidingen ontstonden steeds ernstiger klachten aangaande de dampen die werden uitgestoten. Reeds in 1856 werd Ketjen verplicht om de schoorsteen te verhogen tot een hoogte van 25 ellen en een doorsnee van 50 Nederlandse duimen. De fabriek moest in 1880 dan ook worden verplaatst naar de Kostverlorenvaart aan het einde van de Overtoom. In 1888 werd het bedrijf omgezet in de N.V. Maatschappij voor Zwavelzuurbereiding G.T.Ketjen & Co.

Ketjen in vogelvlucht – Bron: Beeldbank Amsterdam

Ontwikkeling
Opnieuw kwamen er milieuklachten. Toen in 1900 een oleumketel leegstroomde en de hele buurt in nevelen was gehuld, moest het bedrijf verhuizen. Amsterdam bood een stuk moerasgrond aan, maar Ketjen wilde liever naar Velsen. Deze gemeente zag daarvan af nadat Amsterdam zeer ongunstige informatie over Ketjen had verbreid. Aldus bouwde Ketjen in 1900 een zwavelzuurfabriek op de Nieuwendammerham aan de noordzijde van het IJ. Dit was het begin van het industrieterrein Van Hasseltkanaal-Oost, in Amsterdam-Noord beter bekend als Ketjen. Hier konden grote schepen komen, waardoor export mogelijk werd. In 1916 kwam er ook een zoutzuurfabriek. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd veel zuur gebruikt voor de productie van springstoffen. Ook voor de glasfabricage was het zuur onontbeerlijk.

Na een recessie werd in 1929 een nieuwe zwavelzuurfabriek gebouwd, die vooral voor de kunstmestfabriek Mekog in IJmuiden ging produceren (zwavelzure ammoniak).

In 1935 werden twee uitvindingen gedaan die tot nieuwe activiteiten leidden
– Piet Smit vond een procedé uit waarbij zaagsel met zwavelzuur bewerkt werd, waarbij actieve kool ontstond, dat gebruikt werd als ontkleuringsmiddel in de bietsuikerindustrie. De dochter Activit ging dit produceren.
– Du Saar vond een waterontharder uit, waarmee ketelvoedingswater voor stoomschepen behandeld werd.

In 1937 werd de zwavelzuurfabriek sterk uitgebreid, en werden nieuwe fabrieken gebouwd voor de productie van sulfiet, bisulfiet en kaliumpermanganaat. De laatste werd gebruikt bij de productie van sacharine, een kunstmatige zoetstof. Ook werd chloorsulfonzuur geproduceerd; dit werd toegepast bij de sacharineproductie.

Het expeditieterrein van Ketjen in 1910 – Bron: AkzoNobel Courant

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bedrijf zwaar beschadigd: de geallieerden bombardeerden in 1943 de opslag, waarbij veel zwavelzuur vrijkwam. De Duitsers vernielden in 1944 de kranen en transportinstallaties.

Na de oorlog
In oktober 1945 begon de productie weer, en in 1947 werd een fabriek voor zwaveldioxide en een laboratorium gebouwd.
In 1953 werd onder Amerikaanse licentie een katalysatorfabriek gebouwd (Ketjen Catalyst of Cyanamid-Ketjen). Dit gebeurde in samenwerking met het Amerikaanse bedrijf Cyanamid. De katalysatoren waren bedoeld voor olieraffinaderijen, bijvoorbeeld voor de ontzwaveling van ruwe aardolie (Ketjenfine) en het kraken van koolwaterstoffen (Ketjencat).

In 1959 werd, samen met het Amerikaanse bedrijf Cabot, een roetfabriek voor de autobandenindustrie gebouwd in het Botlekgebied, Ketjen Carbon geheten. Deze produceerde in 1970 meer dan 50 kiloton roet. Later ging deze fabriek verder onder de naam Cabot.

Uit de sacharineproductie kwam de sulfoproductenfabriek voort. Dit was een fabriek voor complexe organische zwavelverbindingen die tussenproduct zijn voor tal van toepassingen.

In 1960 werden fabrieken gebouwd voor DPP (difenylolpropaan of bisfenol A, grondstof voor epoxyharsen) en DOP (dioctylftalaat, weekmakers voor de plasticindustrie).

Uiteindelijk fuseerde Ketjen in 1962 met Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie tot Koninklijke Zout Ketjen, een bedrijf dat door verdere fusies zou uitgroeien tot het AkzoNobel concern.

De werkgelegenheid in de industrie nam geleidelijk af, en het getal van meer dan 1000 medewerkers verminderde gestaag, onder meer door vervroegde uittreding, zoals in 1978.

De zwavelzuurfabrieken werden in 1999 verkocht aan PVS Chemicals, de Belgische dochter van het Amerikaanse PVS Chemicals Inc. Hier werkten nog ongeveer 25 mensen, maar in 2004 ging PVS failliet en nam AkzoNobel de fabrieken weer over.

De katalysatorfabrieken kwamen in 2004 in handen van Albemarle Catalysts Company. Dit bedrijf produceert katalysatoren voor de petrochemische industrie en verricht ook onderzoek naar katalysatoren. Er werken ongeveer 500 mensen in onderzoekslaboratoria en een drietal fabrieken.

De naam Ketjen leek door dit alles verdwenen, maar reeds in de jaren zeventig werd een joint venture bereikt tussen het toenmalige Akzo en het Japanse Sumitomo Metal Mining. Deze joint venture ging Nippon Ketjen heten en produceert tot op heden katalysatoren voor de petrochemische industrie.

Op 28 juli 1943 vallen geallieerde bommen op de zwavelzuurfabriek. Hierdoor stroomden duizenden liters zwavelzuur in het IJ – Bron: AkzoNobel Courant

Transport
Transport gebeurde aanvankelijk in glazen mandflessen die echter nogal eens braken. Reeds voor 1900 besloot men stalen vaten van 300 liter te gaan gebruiken. Omstreeks 1916 werd op een binnenvaartschip, de Pluto, een stoomketel gemonteerd zodat men nu met een soort tanker het zwavelzuur kon vervoeren. De Pluto zonk al op de eerste reis in de buurt van Gouda na een aanvaring. Ze kon uiteindelijk zonder milieuschade worden gelicht. De volgende schepen heetten alle Elisabeth, naar de dochter van Lambert Ketjen. Later zijn ook de Nieuwendam en de Ransdorp gebruikt voor het vervoer van zwavelzuur.

Handel
Ketjen verhandelde het zwavelzuur dat vrijkwam van de zinkfabriek te Balen en de zinkfabriek van Overpelt. Hier werd zinkblende (ZnS) verwerkt waarbij veel zwavelzuur vrijkwam. Het ging om 25 à 50 kiloton per jaar, die vervoerd werd over de Zuid-Willemsvaart.

Proces
De oorspronkelijke grondstof was pyriet (FeS2). Werken met pyriet was gevaarlijk, gezien de verspreiding van stof het arseengehalte ervan. Het pyriet werd geroost waardoor ijzeroxide en zwaveldioxide werd gevormd. Dit laatste werd omgezet in zwavelzuur volgens het lodenkamerproces (kamerzuur of acide fatale). Na 1901 werd het efficiëntere contactproces toegepast (contactzuur of acide sulfurique-dilué).

Naast pyriet werd ook zwavelhoudende ijzeraarde gebruikt. Dit was een bijproduct van gasfabrieken. Het daar geproduceerde gas werd door ijzeraarde (Fe(OH)3) geleid, waarbij zwavelijzer (FeS) ontstond. Deze ijzeraarde rook zeer sterk naar het toegevoegde mercaptaan.

Toen in 1951 een katalysatorfabriek werd gebouwd, kon het pyriet niet langer worden gebruikt, gezien het vele stof dat daarbij vrijkwam. In 1960 werd overgegaan op zwavel als grondstof.

Milieu
Hoewel tegenwoordig ISO 9000 en ISO 14000-standaarden hoog in het vaandel staan, is dat wel eens anders geweest. Ontsnappende zwaveldampen vanuit het pand aan de Trapjesschans verjoegen ooit de toeschouwers uit de toenmalige houten Stadsschouwburg. Chique bezoekers van de manege maakten spoed om aan deze gevaarlijk riekende atmospheer zoo spoedig mogelijk te ontkomen.[bron?]
Nadat het bedrijf naar de Overtoom verhuisde, waren het de tuinders die regelmatig hun groenten door giftige dampen en zwavelhoudende neerslag zagen verdorren. Zij weigerden daarom om zwavelzure ammoniak als kunstmest te gebruiken. Het bedrijf was genoodzaakt schadevergoedingen aan de gedupeerde tuinders te betalen, en deze situatie heeft jarenlang voortgeduurd.

Boek “Vrucht van Vitriool”
Naar aanleiding van 175 jaar zwavelzuurproductie in Amsterdam is er in 2013 een boek uitgebracht met de titel “Vrucht van Vitriool”. Oud medewerkers Ad Leemans en Bert Blanken zijn de belangrijkste auteurs.

Het boek bevat o. verhalen over hevige branden, een wilde staking, bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog, een spion die voor Moskou spioneert en een directeur die een gijzeling door IRA overleeft. Het boek is voorzien van honderden historische foto’s deels gemaakt door de auteurs zelf.

Het boek is helaas niet meer nieuw te koop.
 
 
Bron: Wikipedia
 
 

X